Rokus

1

Tweeënzeventig jaar geleden begint deze vertelling.
En wel op de verjaardag van Rokus, een jochie met blonde haren en een vrolijke geest. Het was herfst, maar daar trok de zon zich niets van aan. Het was een dag voor korte mouwen.
Rokus was vroeg wakker geworden en had met de stompjes groen en rood potlood een tekening gemaakt. Het was papa. Als ridder. Onderweg naar huis.
Dát was de tekening. De werkelijkheid was dat vader een klein jaar geleden was vertrokken naar Duitsland. Om te werken. Dat moest. Als hij niet was gegaan, dan had hij naar de gevangenis gemoeten. En ongewild aan het werk was natuurlijk beter dan achter de tralies. Dat begreep Rokus ook wel.

Mama had van oude snippers papier een slinger gemaakt. Die hing als een omgekeerde triomfboog over de tafel, die zo feestelijk mogelijk gedekt was. De dag ervoor had mama tweeënhalf uur in de rij gestaan voor de Nutriciawinkel op de hoek Maliebaan-Nachtegaalstraat. Daar kreeg je nog volle melk voor je voedselbonnen. Romig en smakelijk; in tegenstelling tot de waterige melk die Rokus doorgaans kreeg.
Acht jaar werd Rokus die dag. Mama vertelde hoe blij pappa en zij waren toen hij geboren werd. Onderwijl smeerde ze een dikke plak regeringsbrood met boter en suiker. Een feestmaal.
“Niet zo snel drinken, Rokus”, sprak mamma, terwijl hij gulzig dronk van de volle melk. Te laat. De beker was al leeg. Rokus zette z’n tanden in de boterham en vroeg zich af of pappa aan hem denken zou vandaag. Alsof ze zijn gedachten kon lezen, zei mamma: “Pappa viert vandaag ook jouw verjaardag, jochie. Wees daar maar zeker van”.
De tweede boterham met het zoete zand viel Rokus zwaar. De haastig naar binnen geklokte melk deed zeer in zijn buik. Mamma liep naar het raam. Er klonk lawaai op de Groenestraat. Drukte bij de IJsfabriek verderop. Rokus maakte van de gelegenheid gebruik om het restje boterham onder tafel te moffelen. Naast de lade was een klein hoekje, waar hij het stuk brood vakkundig inpropte. Nog voordat mama weer op haar stoel zat, wist hij dat ze hem doorhad.
“Rokus?”
“Ik heb het snel opgegeten, moeder,” loog het ventje.
Mama pakte Rokus’ kin tussen duim en wijsvinger en keek hem indringend aan.
“Nooit liegen, Rokus. Altijd eerlijk zijn.”
“Ja, moeder”.
Rokus sloeg zijn ogen neer en haalde het stukje brood tevoorschijn.
Na de laatste hap was daar het moment waar de jarige naar had uitgekeken. Het cadeau! Mama zong van hiep, hiep, hoera en haalde een bol pakje uit de kast.
Snel scheurde Rokus het krantenpapier los. Het was een bal! De bal had een kern van stro met daaromheen stroken fietsbinnenband gewikkeld. Rokus draaide het cadeau voorzichtig in zijn handen alsof het de aarde zelf was. Moeder kreeg een dikke kus.
Er werd op het raam getikt. Het was Rokus’ maatje Otto. Die feliciteerde hem opgewekt en weldra gingen ze de straat op om met het cadeau te spelen.

De bal stuiterde wat wonderlijk en mikken was moeilijk. Zo kwam het dat de bal op een haar na een raam van het Krankzinnigengesticht aan de Agnietenstraat miste. Vanachter het raam gebaarde een boze verzorger dat de kwajongens weg moesten gaan.
Al voetballend bereikten ze de Oudegracht. En uiteraard duurde het niet lang voordat Rokus’ cadeau in het water plonsde. Precies in het midden van de gracht; buiten het bereik van armen of takken. Beteuterd en onmachtig volgden de jongens de bal, die langzaam stroomafwaarts dreef. Rokus wilde wel boos worden op Otto, maar hij had zelf de ongewenste doelschop gemaakt.
Ter hoogte van de Vismarkt stond een man aan de oever. Een man met een grillig litteken bij zijn rechteroog. Hij zag de jongens, zag de bal en wist Rokus’ cadeau uit het water te vissen.
“Zo”, zei de man met wonderlijk accent, “ik heb iets voor jullie gedaan; nu mogen jullie iets voor mij doen”.
“Ja, meneer”, antwoordde Rokus beleefd. Hij reikte alvast met zijn hand naar de bal, maar de Man met het Boze Oog hield de bal achter zijn rug en keek de jongens vragend aan.
“Ik zoek de familie Goudsmit. Jozef, Riek, Hendrik en Anna. Weten jullie waar ze wonen?”
Otto stond versteend en Rokus aarzelde. Het gezin Goudsmit hield zich schuil achterin de grote woning van de zonderlinge meneer De Loo. Niemand wist dat, maar de minstens zo zonderlinge zoon van meneer De Loo, Nelis, had het Otto en Rokus toegefluisterd op het schoolplein. Nelis was verliefd op Anna, de beeldschone dochter van het gezin.
Het voelde niet goed om de vraag te beantwoorden, maar tegelijk klonken moeders woorden in Rokus’ gedachten: “nooit liegen. Altijd eerlijk zijn.” En bovendien wenste Rokus zijn bal terug.
“In het smalle witte huis aan de Bleekstraat, meneer,” floepte Rokus eruit.
Hij kreeg zijn bal, maar ergens voelde het als een oneerlijke ruil. De man met zijn rare oog vertrok. Otto stond stokstijf en keek Rokus met wit gezicht aan. Hij zei niets. Opeens kwam hij in beweging en schopte Rokus vol tegen zijn scheenbeen. Toen rende Otto weg.

Rokus slenterde verdrietig langs de Oudegracht. Zijn scheen deed zeer. Zijn bal kon hem gestolen worden. Zijn wangen glommen van tranengebiggel.
Er raakten die dag meer wangen betraand. Het gezin Goudsmit: vader, moeder, de mooie Anna en haar kleine broertje. Acht wangen. Tegen elven werden ze wreed tevoorschijn gehaald uit hun schuilplaats. En afgevoerd.
De zonderlinge meneer De Loo kreeg de kogel op fort De Bilt. Zijn bloed doordrenkte de aarde. Binnen drie dagen groeide er op die plek een gitzwarte struik.

Het nieuws ging snel. Toen Rokus thuiskwam, waren moeders ogen rood. Haar warmte koelde af. Rokus sloot zich op in zijn kamer.
De volgende dag op school viel voor het eerst dat lelijke woord: verrader. Otto en de anderen trokken hem aan zijn blonde haren, spuugden en op onbewaakte ogenblikken mikten ze steentjes zijn kant op. Hij werd met de nek aangekeken. In de pauzes bleef Rokus voortaan binnen. En al snel ging hij helemaal niet meer naar school.
Rokus kwam zijn kamertje niet meer uit.

Hij hunkerde naar het tegenovergestelde van alles wat er nu aan de hand was. Hij hunkerde naar feest. Naar slenteren op een ruiterfeest op ’t Veemarktplein. En naar plaatjes draaien met papa op de chique koffergrammofoon van Paillard.
Maar wanneer Rokus uitgehunkerd was, restte er slechts zijn verraad. Een bodemloos gat van ellende. Rokus kwijnde weg.
Zoals mensen van diepe ellende plotsklaps volledig grijs kunnen worden, zo werd Rokus in korte tijd tien jaar ouder. Hij sliep in foetushouding om nog in het jongensbed te passen. Hij kreeg de baard in de keel en aan de buitenzijde drongen zich harde stoppels door de huid naar buiten. Striemen op zijn lijf van de wilde groei.
Met hetzelfde verdrietige gemak waarmee mama van de ene op de andere dag had leren leven zonder pappa, accepteerde ze dat Rokus geen kleine jongen meer was. Bij zijn deur legde ze wat oude pantalons en overhemden van pappa voor hem neer.

2

In het huis naast Rokus woont de buurvrouw. Eens per week wandelt zij naar het spoor bij Haverland. Daar plukt ze een boeket van wilde bloemen. Om die vervolgens op de rails te leggen. Voor de mensen die, net als zij, hooguit schuldig zijn aan snoepjes pikken in de kinderjaren en een verzwegen vergissing. Voor die mensen die van het perron vertrekken met onbestemde bestemming. Na het passeren van de trein huilt het sap van de bloemen op de bielzen.
Een week later zou ze zelf in zo’n trein zitten. De buurvrouw had er geen weet van.
De verkieselijkheid van het niet-weten.

Terwijl ze terug wandelde regende het even hevig. Wonderlijk, want er was nauwelijks een wolkje aan de lucht. Zes miljoen druppels vielen in die korte bui. Niemand kende dat aantal.
De veiligheid van het niet-weten.

Op datzelfde moment stierf Rokus’ vader in een Duits fabrieksongeluk vol plaatstaal en snijwonden. Rokus wist het niet.
De beminnelijkheid van het niet-weten.

Wat Rokus wél wist was dat zijn inmiddels volgroeide benen zijn schande niet konden dragen. Hij móest iets doen. Een offer brengen voor zijn verraad van de mooie Anna en haar vader en moeder. En haar kleine broertje.
Hij brak zijn hoofd over de vraag hoe hij boete kon doen.
Tussen speelgoed en rommeltjes in de hoek van zijn kamer vond hij een klein karton met een tekening van de vallende muren van Jericho. Rokus glimlachte – voor het eerst in weken – om de hark-achtige handen op zijn tekening. Het verhaal had hem op de zondagsschool gefascineerd. Gedurende zeven dagen liepen de Israëlieten elke dag om een vijandelijke stad en op de zevende dag stortten de machtige stadsmuren ineen.
Toen wist Rokus het zeker: hij zou het Hoofdkwartier van de NSB in brand steken. Aan de Maliebaan was dat, op nummer 35. Mussert hield daar kantoor. Die muren moesten vallen. Dát werd Rokus’ Jericho.
Zorgvuldig werkte hij zijn plan uit. Hij had moeder bij de voordeur horen spreken met haar zuster over de verdwijning van de buurvrouw. In de erop nacht viste hij de sleutel van het rekje – moeder had er een voor noodgevallen – en sloop het huis van de buurvrouw binnen. In meerdere nachten verzamelde hij alles wat brandbaar was. Stoelpootjes, de laden uit de ladekast en lijstjes van portretten: alles stopte hij in een jute zak.

Het was drie maanden na Rokus’ verraad. Een koude avond. Gespannen wachtte Rokus tot hij moeder bedwaarts hoorde gaan. Hij sloop naar beneden en deed nog wat van het schaarse hout in het fornuis. Dan probeerde hij nog wat te slapen, maar zijn lijf tintelde van de zenuwen. Vaders zakhorloge hield hij in zijn hand geklemd. Hij dacht aan vader. Mamma had al weken geen brief meer van hem ontvangen.
Het sloeg twee uur. Rokus kleedde zich aan. Een extra overhemd tegen de kou. Muisstil schepte hij gloeiende kooltjes in een emmertje. Het handvat piepte. Ssst. Voorzichtig sloot hij de deur achter zich en opende de voordeur van de buurvrouw. In de hal stond zijn jute zak met hout. Hij wierp de zware buidel over zijn schouder en sloop de straat uit, op de hoeken behoedzaam loerend of de kust veilig was. Via kleine straatjes bereikte hij de Singel. Halverwege wisselde Rokus de emmer en zak van hand. Zijn uit de kluiten gewassen lijf was sterk, maar van conditie was geen sprake. Bij het oversteken van de brug voelde hij dat z’n rug drijfnat was van het zweet. Met iedere stap twijfelde Rokus sterker over de slagingskans van het plan. De kooltjes in de emmer walmden sterk. Een sliert rook markeerde de afgelegde route.
Rokus bereikte de strook groen van de Maliebaan en sloop met kloppend hart van boom naar boom. In de verte het silhouet van een soldaat. Dichterbij leek het veilig.
Met nog zo’n vijftig meter te gaan tot de grote letters NSB op de gevel van nummer 35, hoorde Rokus geritsel achter zich. Hij draaide zich om. Daar stond een man. Dezelfde naarling die hem de verblijfplaats van het gezin Goudsmit had ontfutseld. De slang uit het paradijs van zijn kindertijd. De Man met het Boze Oog.
“Hela!” klonk de stem van het Oog. In blinde paniek rende Rokus richting nummer 35, in de ijdele hoop dat hij zijn plan alsnog kon uitvoeren; het hout opstapelen bij de voordeur en het geheel aansteken met de kooltjes. Maar terwijl Rokus het NSB-hoofdkwartier naderde, waren er plots meerdere mannen. Met geweren. Er werd geschreeuwd. Schoten klonken. Het emmertje kletterde op straat. Rokus verloor zijn jute zak. Lichten flitsten. Vanuit een loop vertrok een kogel richting de hartstreek van de Man met het Boze Oog. Hard sloeg zijn lijf tegen de straat. Vanuit de loop van Luger handpistool vertrok een kogel richting Rokus. Het projectiel raakte hem in zijn buik. Rokus zakte op zijn knieën, tastte met z’n hand naar zijn natte buik, sloeg zijn blik naar de hemel en wenste een ster te zien vallen.

3

Het feest begon met een confetti van voedselpakketten boven de Lage Weide, uitgestrooid door geallieerde vliegtuigen. Pas vijf dagen later trokken Britse en Canadese troepen de stad binnen. Alles wat rood, wit, blauw en oranje was wapperde buiten. De extase was groot.
Vreugde voedde de uitgeputte bevrijdelingen. Het was een duizelige dans. Duizelend van vrijheid.
In het feestgedruis liep een beeldschone jongedame. Anna Goudsmit. Springlevend. Tijdens de treinreis had ze weten te ontsnappen, even voorbij Zwolle. Ze werd liefdevol opgenomen door een boerengezin in Rouveen. En zodra het kon, had ze de dagenlange reis naar Utrecht ondernomen. Het onderduikadres aan de Bleekstraat was een ravage. Ze was alles en iedereen kwijt.
Aan de rand van het feest, in de luwte van de huizen, kwam Anna even tot rust. Naast haar stond een blonde jongeman. Opeens borrelde diep verdriet op. Schokkend huilde Anna. De blonde jongen kwam naar haar toe en als vanzelf schoven zijn armen om haar heen.

Anna huilde uit op de schouders van Rokus.

Rokus was, na zijn mislukte daad van verzet, aangezien voor houtdief. Gelukkig had de bezetter dringender zaken dan kleine diefstallen. Rokus’ moeder regelde een plekje voor hem in het Kinderziekenhuis aan de Nieuwegracht.
Zijn lichaam herstelde langzaam. En zijn reputatie ook. Niemand wist er het fijne van, maar er werd gefluisterd dat hij betrokken was bij het verzet. Het harde oordeel werd geweifel en Rokus kreeg het voordeel van de twijfel. Een dag na de intocht van de geallieerden viel voor het eerst dat woord: held. De meisjes dansten graag met hem.
Wat niemand wist, was dat de Man met het Boze Oog, die omkwam in de nacht van Rokus poging, op het punt had gestaan zijn diepgaande onderzoek naar Kindjeshaven te melden bij Mussert. Vanuit die crèche aan de Prins Hendriklaan werden Joodse kinderen doorgesluisd naar onderduikadressen. Weken van bespieding en luistervinken kwamen ten einde in die nacht. De mogelijke consequenties van zijn lelijke onderzoek verdwenen met hem in zijn graf.

Pas toen Anna enigszins uitgehuild was, zag Rokus haar gezicht. Hij wilde vluchten, maar Anna kuste hem. Hij beantwoorde haar kussen.

Die avond lagen Anna en Rokus in het Wilhelminapark. Op de bordjes stond nog: Nassaupark. Ze aten chocola. Ze spreidden hun armen en keken ruggelings naar de sterren. Twee jonge lijven vol littekens en verliefdheid.
“Hoe slecht kan een mens zijn?” vroeg Anna.
Twee minuten was het doodstil.
“Heel slecht, Anna,” antwoordde Rokus.

De oorlog was voorbij, de toekomst niet langer bezet.
En ze leefden nog.