Lamme hond

Een verhaal bestaat bij de gratie van een probleem. Een probleem dat langzaam wordt opgelost. Denk maar eens aan een verhaal dat je kent. Gedurende de vertelling wordt dat probleem opgelost. Dat máákt het verhaal.

Het probleem van dit verhaal is dat er geen probleem is. Het werd me verteld door een halfzijdig verlamde herdershond. Op zijn sterfbed. Helaas stierf de tweevoeter voor het einde van zijn vertelling.

Zo gaat het verhaal:

Alle kleur was verdwenen. Het schaarse blad in de bomen, het vale groen van de grasvelden, de rode daken: alles was bedekt door een laag sneeuwwit. Als je je arm erin stak, kwam de sneeuw tot aan je elleboog. Uiteraard vroor het, maar niet zo hard. Het was aangenaam fris. Zo’n koude waarin het heerlijk wandelen is.

Alles was goed.

Het arme gezin dat in de plaggenhut bij de kruising van de hoofdweg woonde en vorige winter een totaal van dertien afgevroren tenen bereikte (wat op zich niet veel is met elf kinderen), had het deze periode goed. Moeder had in de herfst haar verslapte lichaam verkocht langs de hoofdweg, met een mooie opbrengst. Het ging ze goed.

Ook goed ging het met de economie, die eerst jaren in het slop zat. Men schreef het woord economie uitsluitend nog in het rood. Zonder enige aanleiding en van de ene op de andere dag had de economie zich hersteld. Het Landelijk Bureau voor Cijfers Enzo (LBCE) stond voor een raadsel. Maar het was een prachtig raadsel. Zoals het mysterie van de seksualiteit; hoe het onmogelijke toch goed kan komen.

Zelfs de koude oorlog, die al twintig jaar de verhouding met de omliggende buurlanden verziekte, was beëindigd op een gezellige avond van de staatshoofden. Ze waren de middag ervoor, onafhankelijk van elkaar, allen tot het inzicht gekomen dat de oorlog een kwestie van koppigheid en machtswellust was en dat ze die avond, de jaarlijkse jubileumborrel om de verjaardag van de oorlog te vieren, openlijk hun excuses wilden maken. Het werd een heerlijke avond. Tranen vloeiden, wijn stroomde en het samenzijn eindigde in een meerstemmige lalcompositie waarvan de partituur een trilogie van Dan Brown waardig zou zijn.

Alles was goed, vredig en wenselijk. Een prachtverhaal. De halfzijdig verlamde herdershond zuchtte tevreden en verlengde die zucht met het allerlaatste restje lucht uit zijn hondenlongen. In die laatste adem vroeg hij me onsamenhangend om zijn kinderen gedag te zeggen. Ik herinnerde hem eraan dat hij nooit nageslacht had verwekt, omdat de áchterste helft van zijn lijf verlamd was. Dat stemde hem duidelijk verdrietig. Die trieste blik verstierf op zijn mooie hondenkop. Uit zijn poot in mijn hand voelde ik het leven wegtrekken.

In de dagen erna ontkwam ik niet aan de gedachte dat ík het verhaal moest afmaken. Het was een onweerstaanbare lokroep: de vertelling schreeuwde mijn naam. Ze riep om mijn bemoeienis, ze trok me stukje bij beetje naar binnen. Ik sliep er niet meer van.

Dus waagde ik me eraan. Uiteraard was de vraag wat ik toe zou moeten voegen. Eigenlijk was ik jaloers op zoveel goeds. Langzaam begon ik het goede te haten. Mijn jaloezie werd een draak. Een onooglijk monster van wangedachten. Een lelijke draak van jaloezie.

Het beest strekte zijn machtige vleugels uit en vloog eerst naar het graf van de herdershond. Het woelde in de aarde en vrat de net afgekoelde resten op. Vervolgens blakerde het monster de voormalige kudde van de dode hond zwart. Sissend gaarden de schapen in hun verschroeide vacht.

De vlucht voer verder naar de plaggenhut aan de hoofdweg. Eerst spiesde de draak het voltallige gezin aan de grootste dennenboom naast de hut. Daarna liet het monster zijn helleadem over het hele omliggende bos gaan. Als kers op de taart ging de plaggenhut in vreselijke vlammen op. Het vuur was zo heet dat zelfs de collectieve herinnering aan het gezin wegschroeide. Aan hen werd nooit meer gedacht. Zelfs Juf Petronella van de

dorpsschool, die zo’n zwak had voor Petertje, de jongste van het stel, met zijn luie oog, zélfs Juf Petronella dacht nooit meer aan de armoelijers.

Onderwijl vloog ons monster over het winterland. En op zijn tocht liet hij niets onbedorven. Alles eindigde brandend, krioelend, stikkend in de lava uit de muil van ons monster. Heteroseksuelen, pasgeboren puppy’s, ontdekkingsreizigers: iedereen vond een einde in die sinistere nacht.

Zelfs de sneeuw, die zo sereen was komen neerdwarrelen, vluchtte weg: vlokje voor vlokje verdween het wit weer de hemel in.

De bestuurders van het land handelden snel: ze kozen één man uit om de wereld te redden. Een beetje de Frodo van dit verhaal. Deze man, kunstschilder van beroep, trok ten strijde tegen het beest, gewapend met doek en penseel. Hij deed waar hij goed in was: hij schilderde een waarheidsgetrouwe weergave van de draak die langzaam de hoofdstad verkoolde met het vuur uit zijn moordmuil. In de stijl van de oude meesters.

Dat schilderij zie je nu voor je geestesoog.

Je kunt je afvragen of het goed is je jaloezie zo de vrije loop te laten. Dat oordeel laat ik aan jou over.

Het werd voor de draak in ieder geval een gelukkige kerst. En dat is ook wat waard.