Beest

We waren samengekomen in de woonkamer. Herma had koek meegenomen. Duidelijk geen verse; de geur van stof en de bite van muf. Ik doopte mijn koekje in gitzwarte koffie. Net te laat haalde ik het eruit. Een volgezogen vlok plonsde terug.
Zwaar, gelakt eiken bevolkte de kamer. Links een kabinet met het gewicht van een auto, rechts de tafel met een kleed dat ook op de vloer niet zou misstaan. Boven tafel hing een boerenlamp van hout en ijzer. Vlak eronder wij: de oudste neven en nichten van de familie. En we zaten er niet zonder reden. Het Zwarte Schaap moest dood.

Ik was nog heel jong toen ik voor het eerst hoorde van het Zwarte Schaap. Vader zat boos op een gammele tuinstoel. Stond op, ging weer zitten; ongecontroleerde spanning. Details van zijn nijd bleven me onduidelijk, maar helder was dat de toorn zich richtte op dat Schaap. Het had weer toegeslagen.
In de jaren erna dook het Dier van tijd tot tijd op en altijd onder een donkerbewolkte hemel. Op de basisschool vertelden de jochies van Van Kempers me over de kinderlokker. Tot ik twee jaar later op straat de pocket ‘Satan. Vader van de Leugen’ vond, waren de kinderverleider en het Schaap twee handen op één groezelige onderbuik, maar het nieuwverworven werkje opende voor mij een onderwereld die me als vaste stek van het Beest met de zwarte vacht toescheen. Soms ontstak ik een lucifer uit een Scandinavisch doosje (het leek tandenstokers te herbergen) om even die geur van hellezwavel op mijn tong te proeven. Ik vond het onprettig en had het nodig.
Later, tijdens eenzame lunchpauzes op kantoor, las ik vaak de krant. In verslagen van oorlog en mislukte misdaden, tussen de regels door en in korrelige foto’s zag ik soms een stukje Schaap.

Maar: terug naar de tafel.

Ik hield mijn mond. De anderen panikeerden over de vraag wie de klus moest klaren. Wie het Zwarte Schaap zou ombrengen. Iemand moest zich opofferen. Het werd stil. De klank van een gesloten doodskist.
Met heldere stem nam ik de opdracht aan. Ze blinddoekten me en iemand stopte me hardhandig in een kofferbak. De reis duurde maanden; ik had een volle baard toen de klep van de auto eindelijk openging. De wagen ronkte weg en ik deed de blinddoek af. Voorzichtig, want de theedoek was een beetje met mijn huid verkleefd. Mijn ogen hoefden maar nauwelijks aan het licht te wennen; de desolate vlakte om me heen was schemerig.
Even verderop zag ik een gevlerkte man. Hij wenkte. Met brokkelige stem gebood hij me mijn ziel aan hem te verkopen. Voor ik kon tegensputteren was de transactie voltooid. Van hem kreeg ik een lans. Lang en aan een poetsbeurt toe.
De vlerkman wees me richting een bergtop. Ik wandelde erheen en beklom de berg, het lange staal achter me aanslepend. Boven trof ik resten van een kasteel. Overblijfselen als van een geruïneerd gebit. De grond was bezaaid met gebroken tegels: plaveisel van goede voornemens, met voegen van gestold mislukken. In de verte zag ik de schoorstenen van de Hel onafgebroken roken.
Plots was daar het Schaap. Giftig poeder viel uit zijn vacht. Dreigend stapte het Dier op me af. Ik richtte de lans op de diepzwarte ogen. Het Beest greep mijn wapen met de bek en wierp het kletterend op de tegels. Eén seconde spande het Schaap de spieren. Toen sprong het op me af.

Het Beest struikelde echter over de lans en viel hard op de voorknieën. De kop botste op een brok kanteel. Het Zwarte Schaap viel daas in een ondiepe kuil.
Door mijn onvermogen om in panieksituaties adequaat te handelen hield ik even stil. Vanwege mijn weke hart werd ik door medelijden overmand. Ik knielde neer naast het zielige Dier. Daar lag het lijden van de hele wereld. Mijn hart scheurde ervan.
Het Beest begon te spreken: hartverscheurende geschiedenissen vol schuld, mislukking en lijkgeur. We spraken lang, van verscheurd hart tot verscheurd hart. Ik weende stil; slechts zieke fruitvliegjes hoorden het zacht vloeien van mijn traanwater.
Mijn oognat bleef gutsen en vulde de kuil. Het arme Schaap had nog nooit warmte gevoeld en genoot zichtbaar. Langzaam weekte de zwarte kleurstof uit zijn vacht. Van grijs naar smoezelig naar gebroken wit. Het donkere water vloeide weg. Als een beek sijpelde het over de desolate vlakte. Daar condenseerde het tot wolken. Die dreven naar de mensen en het hemelwater viel. Het Zwarte Schaap regende.

De mensen accepteerden het plakkerige nat als een verschijnsel van hun eigen natuur, wasten het af en vervolgden hun pogingen.
Onderwijl werd het Schaap zo wit en rein en licht dat het opsteeg. Naar de hemel. Ik staarde het na. Toen het Beest verdwenen was besloot ik huiswaarts te keren, maar eerst wilde ik van de gevlerkte man een bonnetje voor mijn administratie. Zijn plek was verlaten. Op een verkoolde stoel lag een pakketje. Het was mijn ziel: ingepakt in een groezelig servetje, dichtgeplakt met geronnen bloed. Ik legde de lans terug en eigende me mijn ziel weer toe.

Herma vierde haar verjaardag laat; het was begin april. Ze serveerde appeltaart. Stevig en met de frisheid van limoen. De neven en nichten zaten om tafel. Opgelucht. We keuvelden over koeien en hun kinderen. Niemand noemde het Beestje bij de naam. We waren simpelweg gelukkig.
En buiten woedde de lente heviger dan ooit.